In Psychisch

Blog transgenderpraatjes tijdens het najaarscongres van de Vereniging voor Gedrags- en Cognitieve therapieën (VGCt) op vrijdag 29 november

Drs. Tom Bootsma

Het thema van dit najaars congres was: ‘Transitie in behandeling, work in progress’.
Op allerlei niveaus binnen de psychologie vindt een transitie plaats: organisaties en het aanbod veranderen, we denken op een andere manier over ziekte, gezondheid en behandelen en technologische ontwikkelingen bieden nieuwe mogelijkheden om behandelingen te selecteren en aan te bieden. Ook binnen de behandeling zijn er verschillende transities waarvoor aandacht nodig is. Voorbeelden hiervan zijn: de overgang van levensfases (puberteit, menopauze) die ook met lichamelijke veranderingen gepaard gaan en een lichamelijke transitie als gevolg van ziekte of genderidentiteit. Kenmerkend voor al deze transities is dat ze tijd nodig hebben.

Op vrijdag 29 november heb ik drie presentaties bijgewoond, waarbij het onderwerp ‘transgender mensen’ aan bod kwam.

Wat moet ik weten van transgender cliënten?

Eerst was ik bij een workshop ‘Wat moet ik weten van transgender cliënten? Deze workshop werd begeleid door Mathilde Kennis (PhD student Maastricht Universiteit), Kathelijn Vriezen (coördinator Transgender Limburg COC) en Joep Roeffen (therapeut bij Genderteam Zuid-Nederland Mutsaersstichting). Vooraf werden uit het ‘vragen publiek geïnventariseerd (bv. over het vaker samengaan van autisme en genderdysforie, over blijvende depressie na transitie, huidige theorie over mannelijk en vrouwelijk en trauma) en elk van de presentators vertelde vanuit zijn of haar eigen perspectief.

De eerste spreker Mathilde Kennis praatte ons bij over de stand van zaken in onderzoek naar transgenders. Er werd onderscheid gemaakt in terminologie tussen begrippen: geslacht (biologisch), gender (gevoel), transgender (eigen benaming), cisgender (niet-transgender), genderdysforie (diagnose). Ook werd verschillende keren het probleem van de wachttijden benadrukt, vanwege de stijging van het aantal aanmeldingen. Hoewel psychotherapie niet verplicht is voor transgenders, komen angst- en stemmingsstoornissen vaker voor. De stelling transgender zijn is momenteel een hype werd gepresenteerd. Verschillende behandelaars reageerden daarop, dat het meer een trend is doordat er meer vrijheid is om ervoor uit te komen en het meer geaccepteerd wordt. Ook werd aan het publiek gevraagd wat de oorzaak van transgenderzijn is, de meerderheid kiest voor neurobiologisch.

Tot nu toe is nog steeds niet precies duidelijk wat de oorzaak is. Onderzoeken naar omgeving/opvoeding en genetica van hormoonreceptoren hebben geen bewijs opgeleverd. Neurobiologisch onderzoek, van in het verleden ook Prof. Swaab, richt zich nu steeds meer op het vinden van hersengebieden voor zelfbeleving of zelfperceptie.

Om te kijken wat hormonen voor bijwerkingen hebben en of er hormonale kankers ontstaan is de ENIGI-studie opgericht. Op psychisch gebied is er geen relatie vastgesteld tussen testosteron en woede, nemen angst en stemmingsstoornissen af tijdens de transitie en verbetert het psychisch welzijn. Ook is er onderzoek gedaan door de VU (periode 1970-2015) naar spijtoptanten. Slechts 0,5% van alle transgenders in die periode behandeld zijn heeft spijt en in de meeste gevallen gaat het dan om de sociale gevolgen van de transitie, zoals het niet geaccepteerd worden door de familie. Het wordt aangeraden dat er nog meer onderzoek gedaan kan worden naar het seksueel welbevinden.

De tweede spreker Joep Roeffen vertelt over hoe hij decentralisatie in gang heeft gezet door in 2017 het ‘Genderteam Zuid-Nederland’ op te richten en jnmiddels samenwerkt met diverse behandelaars in verschillende ziekenhuizen in Nederland en België. Hij vindt het een tekortkoming dat psychologen niet opgeleid worden in de werking van hormonen. Het is belangrijk om gendersensitief te werken als therapeut. Denk hierbij aan taalgebruik, dat hoeft niet altijd genderneutraal, maar wel gendersensitief, bespreek ook aanspreekvormen. Hij toont een film hoe het is om transman te zijn: https://youtu.be/AUJg6ja6usg. Hij legt uit dat het bij kinderen vaker gaat om genderexpressie en bij volwassen meer om het lichaam wat niet past. De afkeer van het eigen geslacht en de wens van het andere geslacht kan op verschillende manieren samengaan. Bij andere aandoeningen naast genderdysforie is zorgvuldigheid beter dan snelheid. Het is altijd belangrijk om je af te vragen als psycholoog of je sneller kunt werken en waar mogelijk een transgender het voordeel van de twijfel te geven.

De derde spreker Kathelijn Vriezen vertelt over eigen ervaringen over de effecten van hormonen op haar lichaam, wat het verschil kan zijn als je vertelt aan anderen dat je transgender bent en hoe belangrijk het is om zelfbewust te zijn van hoe je beweegt en je stem gebruikt.

Coming-out and accepting, a process in progress. Contextgerichte interventies in het werken met LGBTQ+ jongeren die de relatie met hun niet accepterende ouders herstellen en versterken, als protectieve factor in het coming-out

Daarna was ik aanwezig bij de workshop: ‘Coming-out and accepting, a process in progress. Contextgerichte interventies in het werken met LGBTQ+ jongeren die de relatie met hun niet accepterende ouders herstellen en versterken, als protectieve factor in het coming-out’. Deze workshop werd begeleid door gedragstherapeut Christel Bouwens. Zij geeft de problemen weer die er zijn binnen families, waarbij de jongere die uit de kast komt niet wordt geaccepteerd vanwege bijvoorbeeld de religie. Een manier om deze verstoorde relatie weer te herstellen binnen families is de Attachment Based Family Therapy (ABFT) van KU Leuven: https://youtu.be/mFoY0XZNA_Q Tijdens de workshop hebben we uitleg gekregen over deze vorm van therapie en zelf geoefend met een ouder met weerstand en een therapeut die zonder oordeel het gesprek hierover aangaat met de ouder. In verschillende sessies wordt een nieuw huis gebouwd door middel van verschillende taken van zowel de ouder als het kind. Eerst wordt er een fundament gelegd, dan worden zowel de ouder als het kind apart gesproken en uiteindelijk wordt er naar verbinding gezocht, zodat ze allebei weer samengebracht worden in het dak van het huis.

Mental Health en Transgender Health

De laatste presentatie was een keynote van Prof. Dr. Jon Arcelus van University of Nothingham in Engeland. Hij richt zich op Mental Health en Transgender Health. In het begin geeft hij aan dat terminologie van vitaal belang is voor effectieve communicatie met transgender mensen. Hij geeft een overzicht van wat je wel en niet kunt gebruiken in de communicatie. Wat belangrijk is om woorden als “transgender”, “trans” of “genderdivers” te gebruiken, vraag altijd hoe iemand aangesproken wil worden, heb ook respect voor genderneutrale aanspreekvormen, gebruik alleen de naam en aanspreekvorm die de persoon wenst, stel vragen op een respectvolle manier, onthoud dat seksuele oriëntatie en genderidentiteit verschillende concepten zijn, erken de verschillende levenservaringen van transgender mensen en houd een open mind. Het is belangrijk om termen als “tranny”, “transgendered”, “transgenderism”, “transsexualism”, “FTM”, “MTF” of “transseksueel” te vermijden (tenzij een transgender zelf deze termen gebruikt), zelf geen aannames te doen over hoe iemand aangesproken wil worden, niet aanspreekvormen in twijfel te stellen of te corrigeren, niet de vroegere naam of de verkeerde aanspreekvorm te gebruiken, niet te vragen naar geslacht of operatie (tenzij de persoon zelf toestemming geeft of het klinisch belangrijk is), niet seksuele oriëntatie en genderidentiteit te combineren of door elkaar te halen, er niet vanuit gaan dat de transgemeenschap homogeen is en veroordeel niet!

Depressies en angststoornissen komen vaker voor onder transgenderjongeren en volwassenen dan onder cisgender mensen. Non-binaire mensen hebben nog meer last van angst en depressie dan binaire mensen. Het kan helpen als organisaties ook open staan voor non-binaire mensen.

Zodra transgender mensen de hormoonbehandeling starten komen er minder depressies, angststoornissen, zelfbeschadiging en problemen met lichaamsbeeld voor in vergelijking met transgender mensen die nog niet zijn gestart met hormoonbehandeling. Transgender mensen worden vaker gepest, kunnen het gevoel hebben er niet bij te horen en gebukt gaan onder minderheidsstress. Kwalitatief onderzoek en bewijs uit klinische praktijk zijn soms meer helpend in het onderzoeken van problemen waar transgenders mee worstelen. Er zijn nog te weinig longitudinale studies met grote aantallen gedaan naar mentale gezondheid van transgenders.

Aan de hand van een klinische casus van een transjongen wordt duidelijk gemaakt waar een mental health worker kan ondersteunen tijdens het proces: voor diagnose, tijdens diagnose, na diagnose, bij start hormoonbehandeling, bij keuze chirurgie, tijdens chirurgie en na afloop van chirurgie. Ook zijn patiënten-organisaties heel belangrijk voor veerkracht van transgenders.

Zijn mooie visie op wat er in de toekomt nodig is aan onderzoek: meer longitudinaal onderzoek, ontwikkelen van zorg in samenwerking met transgenders, een groter rol voor ervaringsdeskundigen, het onderzoeken van een veranderende rol van de mental health worker naar welzijnswerker, beter begrip van risico- en beschermende factoren kan invloed hebben op beleid en meer onderzoek naar specifieke leeftijdsgroepen (bijv. oudere transgenders).