In Medisch, Politiek

Vandaag heeft de minister Medische Zorg en Sport Martin van Rijn (PvdA) Kamervragen beantwoordt van kamerlid Vera Berghkamp (D66). Deze vragen gaan voornamelijk over de lange wachtlijsten in de transgenderzorg en de grote hoeveelheid mensen die aan zelfmedicatie doen als gevolg.

De minister geeft aan dat de wachttijd van aanmelding tot intake gemiddeld 41 weken (ongeveer 10 maanden) was, waarbij het opvallend was dat de wachttijden bij de GGZ-aanbieders gemiddeld fors lager waren dan bij de UMC’s (21 weken tegenover 61 weken). De wachttijden voor endocrinologische zorg na diagnostisering gaven omgekeerde cijfers; 4 weken bij UMC’s en 3 tot 39 weken bij andere ziekenhuizen. Hierbij wordt aangegeven dat de endocrinologische zorg in veel regio’s onvoldoende is, waardoor mensen al snel meerdere maanden moeten wachten.

De kwartiermaker is volgens de minister in gesprek met verschillende ziekenhuizen over het vergroten van de capaciteit voor endocrinologische zorg, voorbereidingen worden onder andere getroffen bij het Rijnstate Ziekenhuis, het Zaans Medisch Centrum en het Maasstad Ziekenhuis, die volgens verwachtingen dit jaar nog kunnen starten met het verlenen van deze zorg. Ook wordt door de minister aangegeven dat huisartsen volgens de somatische kwaliteitsstandaard van 2019 een rol wordt voorzien in de follow-up fase van de hormoonbehandeling. De minister waarschuwt wel dat de druk die COVID-19 legt op zorginstellingen mogelijk effect zal hebben op de wachtlijsten voor andere vormen van zorg – waaronder de transgenderzorg. Rond de zomer komt de kwartiermaker met nieuwe informatie over wachttijden en wachtlijsten in de transgenderzorg. 

De minister vindt het fijn dat er andere initiatieven zijn die een passend zorgaanbod bieden voor transgender mensen in Nederland. Over de Trans Health Clinic in Amsterdam geeft de minister aan dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) niet bekend is met deze kliniek, en zal haar toezicht op deze locatie op basis van een vragenlijst verder inrichten. Financiële ondersteuning van particuliere klinieken zoals THC is volgens de minister niet aan de orde is, en dat het aan hen zelf is of zij contact willen leggen met zorgverzekeraars voor mogelijke vergoedingen van de zorg.

Op de vraag over wat wordt gedaan mensen de risico’s van zelfmedicatie onder aandacht te brengen vertelt de minister dat voor artsen en apothekers een module ontwikkeld is om bewustwording te creëren en gezondheidsklachten te herkennen die mogelijk worden veroorzaakt door (vervalste) medicatie via illegale aanbieders. Ook wordt het aanbod actief tegengegaan door stevige optreding van de IGJ tegen websites die geneesmiddelen aanbieden of hiervoor reclame maken. De minister heeft aangekondigd ook meer zicht te willen hebben op de zwarte markt aan medicatie vanuit het Nederlandse reguliere systeem, en wilt voor de zomer met een plan van aanpak komen.

De kwartiermaker stelt volgens de minister in zijn voortgangsbrief ook dat meer onderzoek moet worden gedaan naar de ervaringen en behoeften van mensen uit kwetsbare groepen, die nog te veel buiten voorgaand onderzoek vallen. “Te denken valt met name aan transgender personen met een migrantenachtergrond die niet of nauwelijks aangehaakt zijn bij de zorg en mensen die aan zelfmedicatie doen, zorg in het buitenland zoeken en (het belang van) andere vormen waar in transgenders aan zorg, steun of begeleiding komen. Dergelijk onderzoek zou door academische kenniscentra, patiëntenorganisaties maar ook door zorgverzekeraars of gemeenten gefaciliteerd kunnen worden. Het doel is te voorkomen dat kwetsbare groepen ten onrechte geen passende zorg ontvangen.”

De volledige beantwoording valt terug te lezen op de website van de rijksoverheid.