In nieuws, Transvisie

VAN ONZE VOORZITTER

In het mooie artikel in de Telegraaf van 14 juli 2018 stond helaas weer het gewraakte cijfer dat 60% van de transgenderkinderen uiteindelijk geen medische transitie in gaat. Dat cijfer vinden we zeer schadelijk voor goede zorg aan transgenderkinderen. Daarom heeft onze voorzitter onderstaande reactie aan de Telegraaf gestuurd:

Geachte Telegraaf-redactie,

Gisteren besteedde u op de voorpagina en op pagina T30 uitgebreid aandacht aan de situatie in de transgenderzorg. Daar ben ik, als voorzitter van de patiëntenorganisatie van transgenders, blij mee. Toch wil ik graag iets rechtzetten.

Zowel in het artikel op de voorpagina als in het achtergrondartikel zegt Thomas Steensma van het genderteam van het AUMC (voorheen VUmc) dat 60% van de prepuberale transgender kinderen uiteindelijk afziet van een medisch traject. Dit cijfer klopt van geen kanten en dat weet dhr. Steensma ook. Collega wetenschappers hebben dit onderzoek van Steensma al meerdere keren zeer kritisch beoordeeld.

Het is schadelijk voor transgenderkinderen dat dit rammelende cijfer steeds weer een podium krijgt. Het cijfer zegt tegen transgender kinderen, hun ouders én zorgverleners dat de transgendergevoelens in de meeste gevallen wel zullen overwaaien. Daardoor krijgen transgender kinderen het advies maar beter te wachten met hun sociale transitie (kleding en een naam gebruiken die beter bij hen past). Dit ongefundeerde gefantaseer over de toekomst blokkeert het ontwikkelingsproces van het transgenderkind, terwijl het juist belangrijk is dat het kind ervaringen opdoet. Ook geef je de kinderen de traumatiserende boodschap dat hun gevoelens er niet zo toe doen: “wij weten het beter”. Ons Informatiepunt krijgt heel vaak vragen van ouders die zich door het AUMC tot dit ‘ontmoedigingsbeleid’ gedwongen voelen, terwijl hun eigen intuïtie en verstand iets anders zegt. Onderzoek van J. T. Newhook (https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/15532739.2018.1456390) toonde onlangs nog aan dat deze terughoudende benadering schadelijk is voor de transgenderkinderen en de kwaliteit van de zorg. In een goedbedoelde poging om teleurstellingen te voorkomen, creëert Steensma met zijn rammelende cijfer juist teleurstellingen.

Terughoudendheid zou prima zijn als dat een stevige wetenschappelijke basis heeft. Maar dat heeft het dus niet. Het onderzoek (https://www.jaacap.org/article/S0890-8567(13)00187-1/abstract) heeft de kinderen maar tot hun 18e gevolgd en we weten dus niet of deze 60% op volwassen leeftijd alsnog de medische transitie is aangegaan. Voorbeelden daarvan ken ik in elk geval wel. Ook is niet bekend of deze kinderen misschien zónder medische ingrepen in het gewenste geslacht zijn gaan leven of dat ze deze medische zorg buiten het AUMC hebben gehaald. Het meest stuitend is nog dat 22% van de kinderen gedurende het onderzoek buiten beeld geraakt is en de onderzoekers gemakshalve maar hebben aangenomen dat hun wens om van geslacht te veranderen over is gewaaid. Dat is een voorbeeld van heel slecht onderzoek.

De transgenderzorg in ons land is niet gebaat bij onzorgvuldige cijfers. Wat we wel nodig hebben zijn twee dingen: meer spreiding van zorg en een minder sturende rol van de psycholoog. Daardoor gaat de wachttijd naar beneden en de kwaliteit van de zorg én de keuzevrijheid van de transgender omhoog. Wat die spreiding betreft: er zouden in elke provincie een of twee ziekenhuizen moeten zijn waar de hormoonbehandeling en puberteitsremming door gespecialiseerde artsen ingezet kan worden, huisartsen zouden in de gelegenheid gesteld moeten worden om de nacontroles van de hormoonbehandeling uit te voeren indien ze dat willen en in elke regio moeten gespecialiseerde psychologen komen die begeleiding kunnen bieden bij een transitie. Ten tweede moet de rol van de psycholoog kleiner worden bij de besluitvorming over een medische behandeling. De transgender (en de ouders als het een transgender kind betreft) worden daarin nog steeds onvoldoende serieus genomen.

Ik denk dat u uw mooie artikel recht doet door uw lezers ook deze informatie te geven.

Mocht u nog vragen hebben, dan ben ik graag bereid een toelichting te geven.

Met vriendelijke groet,

Lisa van Ginneken