Rolwisseling: ja of nee?

Eén van de vragen waar je als ouder mee van doen hebt is het kiezen van het juiste moment om het kind van rol te laten wisselen. Het advies van het VUmc is om daar terughoudend in te zijn. Omdat een te vroege rolwisseling het kind te veel vastlegt in zijn/haar ontwikkeling, waardoor er geen weg terug meer is.

Dit advies roept bij ouders allerlei vragen op. Ook de meeste ouders van Berdache (zelfhulpgroep voor ouders met genderkinderen) vinden een leeftijd van 5 of 6 jaar wel erg vroeg om een volledige rolwisseling te maken. Maar er kunnen zeker goede redenen zijn om het kind juist wel te stimuleren om meer naar buiten te treden en meer zichzelf te zijn. En zoals er kinderen zijn die te snel gaan, zijn er ook kinderen die misschien veel meer of veel eerder naar buiten zouden moeten treden om zich gelukkig te voelen.

Er is inmiddels een wetenschappelijk onderzoek naar de psychische gezondheid van genderkinderen die jong in transitie zijn gegaan gepubliceerd. Ze worden daarbij vergeleken met een groep ‘gewone’ kinderen. Uit dit onderzoek blijkt dat genderkinderen die een vroege sociale transitie doormaken een goede psychische gezondheid hebben, die vergelijkbaar is met gewone kinderen. In tegenstelling tot bij genderkinderen waarbij de transitie later plaatsvond. Het onderzoek, Mental Health of Transgender Children Who Are Supported in Their Identities, van Kristina R. Olson, PhD, Lily Durwood, BA, Madeleine DeMeules, BA, Katie A. McLaughlin, PhD is gepubliceerd in het tijdschrift Pediatrics en te vinden op internet. In het Amerika gaan steeds meer stemmen op om kinderen ook op jonge leeftijd de ruimte te gunnen om te onderzoeken hoe welke gendervorm bij ze past. Daar wordt dat steeds meer als normaal onderzoekend gedrag gezien. Supporting and Caring for transgenderchildren  is een uitgebreide uitgave van onder andere de Amerikaanse Akademie voor Kinderartsen met daarin en warm pleidooi om transkinderen te ondersteunen en de ruimte te gunnen om ook op jonge leeftijd hun genderruimte te onderzoeken.

Daarom is het ook volgens Patiëntenorganisatie Transvisie maatwerk: soms stimuleren, soms remmen, soms laten gaan. Het lastige is dat het advies van de hulpverleners altijd vanaf de zijlijn komt. Terwijl je als ouder er middenin zit en daardoor een andere visie kunt hebben. Kortom, er kunnen goede redenen zijn voor een vroege transitie, maar er kunnen ook goede redenen zijn om dat juist niet te doen. Het belangrijkste is, dat de ouders een goede inschatting maken van wat voor hun kind de beste weg is. Geef kinderen wel de ruimte om te onderzoeken welke genderrol hun het beste past, geef ze de veiligheid en de ruimte, ook om eventueel ‘terug’ te kunnen gaan naar de rol van het geboortegeslacht.

13

Wat mag het kind van zichzelf laten zien?

Ieder mens, en dus ook ieder kind, wil graag aan de buitenkant laten zien wie hij/zij is. Kleding, sieraden, manier van spreken, het zijn allemaal uitingsvormen van wie we zijn. Als je goed kijkt naar jouw kind, dan weet je meestal of dat wat het kind aan de buitenkant laat zien, klopt met hoe het kind aan de binnenkant is. Denk je dat de manier van kleden, van leven en van doen overeenkomt met die binnenkant? Kan een jongensachtige meid ook echt uiting geven aan het stoer zijn? Kan een meisjesachtige zoon ook voldoende uiting geven aan zijn vrouwelijke kant, bijv. met zijn kleding?

Als het kind niet voldoende kan laten zien wie hij/zij is, dan is misschien juist meer stimulans nodig. De vraag “Stimuleer ik mijn kind niet te veel?” heeft dus direct te maken met de vraag “Krijgt mijn kind voldoende ruimte om zichzelf te zijn?”.

Ruimte om zichzelf te zijn is voor ieder kind noodzakelijk. Ouders zijn vaak onzeker over die situaties waarin het gedrag, de kleding, de hobby’s van hun kind erg afwijken van wat gangbaar is. Een aantal voorbeelden: jongens die op ballet willen, meisjes die op een jongenssport willen, jongens die barbies willen of een jurk aan naar school. Daarvan kun je als ouder het gevoel krijgen: “Dit gaat te ver!” en daar kun je erg onzeker van worden. Toch is het soms nodig zijn om zelfs hier in mee te gaan.

Heb je het gevoel dat jouw kind kan laten zien wie hij/zij is, dan is er geen reden om dingen te veranderen. Op het moment dat kinderen meer ruimte krijgen om uiting te geven aan wie ze zijn, schieten sommige kinderen door en willen ze alles tegelijk. Vooral als ze lang hebben moeten onderdrukken wie ze in werkelijkheid zijn. Dan is het goed om de rem erop te zetten en het tempo meer geleidelijk te laten zijn. Het is belangrijk dat de omgeving, zoals de school en familie, kan meegroeien in de veranderingen. Meestal is het voor het kind zelf beter als de veranderingen wat rustiger gaan.

Wat vertel ik op school?

Op het moment dat je op zoek gaat naar informatie, is er meestal al het een en ander gebeurd in het gezin. Waarschijnlijk heb je als ouders samen al de zorgen over het kind besproken, of ben je samen op zoek naar informatie. Soms heeft het kind al het een en ander naar buiten gebracht. In dat geval is het belangrijk om te praten met de leerkracht van jouw kind. Het is goed dat de leerkracht weet dat er het een en ander gaande is. Hij/zij kan observeren hoe het kind op school functioneert. Daarnaast kan de school het kind extra ondersteuning geven.

Veel genderkinderen hebben problemen met leren. Het is ook lastig om met allerlei vragen in je hoofd te zitten en ondertussen te moeten leren. Zeker als het genderverhaal sterk in beweging is, is het nodig dat de leerkracht dat weet. Deze kan de reacties van jouw kind beter plaatsen en eventueel met de leerlingbegeleider bespreken wat jouw kind op school nodig heeft om goed te functioneren.

Vooral meisjesachtige jongens lopen een groot risico om gepest te worden op school. Met een goed pestbeleid valt veel te voorkomen. Andere kinderen in de klas kunnen verward raken over het gedrag van jouw kind. Soms is het nodig om daar in de klas aandacht aan te besteden.

Wat in de praktijk goed werkt, is om de leerkracht te voorzien van informatie voordat je met hem/haar gaat praten. De meeste leerkrachten hebben weining ervaring  met genderkinderen. Informatie op deze website, artikelen uit tijdschriften en/of het boekje ‘Hoera, het is een mensje!’ leidraad voor ouders van genderdysfore kinderen geven voldoende aanknopingspunten voor een gesprek. Het boekje Genderdysforie en school’ is speciaal geschreven om ouders en school te ondersteunen. In sommige gevallen heeft een school meer voorlichting nodig. Berdache kan daarbij ondersteunen en geeft ook voorlichtying op scholen. Neem contact op met ons secretariaat of direct met Berdache

boekschoolklein
boekmensjeklein

Wat vertel ik de familie?

Wees gerust! Meestal heeft de familie al lang in de gaten dat er iets aan de hand is. Het kan zelfs zijn dat familieleden zich afvragen hoe ze er met jou over zullen beginnen.

Wat over het algemeen goed werkt, is om informatie van deze website of artikelen uit tijdschriften te geven. Ook het boekje “Hoera, het is een mensje” Leidraad voor ouders van genderdysfore kinderen” kan vragen van de familie beantwoorden.

Onze ervaring is dat de familie meestal positief reageert. Meestal geeft het een hoop ontspanning, als ‘het’ (eindelijk) wordt aangekaart. Hoe jouw eigen familie zal reageren, moet je natuurlijk zelf inschatten. Soms ligt het zo moeilijk dat je er inderdaad beter niet over kunt beginnen. Bedenk echter wel dat grote geheimen voor kinderen heel moeilijk zijn. Daarnaast is het lastig te verkopen dat jouw kind wel zichzelf mag zijn, maar bv. niet bij oma.

Hoe ga ik om met de andere kinderen in het gezin?

Genderkinderen vragen veel aandacht van de ouders. Er moeten gesprekken plaatsvinden met de buitenwereld. Het kind wordt onderzocht op het VUmc en soms intensief begeleid. Dat kan zo veel zijn, dat de andere kinderen in het gezin kortere of langere tijd aandacht te kort komen. Terecht voelen ze zich soms tekort gedaan. Ook zij hebben de nodige emoties rond de veranderingen van jouw genderkind. Je zult maar het broertje zijn van een genderjongen, die plotseling een jurk gaat dragen. Gevoelens van boosheid, onzekerheid, jaloezie of ergernis zijn normaal. Besteed daar aandacht aan en probeer de oorzaak ervan te ontdekken. Probeer genderdysforie ook voor jouw andere kinderen begrijpelijk te maken. Soms is het zelfs nodig om pas op de plaats te maken, omdat de andere kinderen dat nodig hebben.

De meeste ouders beseffen niet dat ook de andere kinderen van het gezin te maken krijgen met de buitenwereld. Soms zelfs meer dan het genderkind zelf. Zij moeten zich meer dan eens verantwoorden voor het gedrag van hun genderbroer of genderzus. Pesten met een genderbroer of -zus komt heel veel voor.

Als het  genderkind met zijn/haar verhaal naar buiten komt, heeft dat dus ook grote invloed op de positie van jouw andere kinderen. Dit wordt nog al eens vergeten. Als je het verhaal vertelt op de basisschool van jouw genderkind, wees dan niet verbaasd als het binnen een paar dagen ook op de middelbare school van jouw andere kind bekend is. Besteed daarom aandacht aan de positie van de andere kinderen. Zorg dat ook hun leerkracht of mentor weet van de veranderingen in het gezin. Soms is het zelfs nodig om ook in de klas van de andere kinderen voorlichting te geven over genderdysforie.

14